Het corona-virus door de bril van Yuval Noah Harari?

21 Lessen voor de 21ste eeuw in relatie tot zijn en zingeving;
Een andere kijk op het Corona-virus door de bril van Yuval Noah Harari?

Verwijspagina coronavirus | KNMG

“Het universum geeft mijn leven geen zin; met mijn leven geef ik het universum zin!’

De intelligente Lock down met betrekking tot het Corona-virus stelt ons allemaal op de proef. De dreiging van het virus roept veel vragen op over een goede volksgezondheid, een gezonde economie en de consequenties van het sociaal isolement. In zijn boek 21 Lessen voor de 21ste eeuw geeft schrijver Yval Noah Harari een aantal inzichten met betrekking tot ons zijn en zingeving weer, die in dit verband interessant zijn.  

Het is beter om (eerst) onszelf, ons denken en onze geest te doorgronden, dan om elke fantasie die er bij ons opkomt telkens maar te willen realiseren. Verlangens zijn namelijk geen magische manifestaties uit onze vrije wil; ze zijn het product van biochemische processen, die ook weer beïnvloed zijn door culturele factoren die we zelf niet beheersen. Zodra we dit alles inzien, kunnen we ons er misschien wat minder door laten leiden.

Als je jezelf echt wilt kennen, moet je kijken wat er echt in je lichaam en geest gebeurt. Dan zie je gedachten, emoties en verlangens opkomen en weer verdwijnen, zonder duidelijke redenen en zonder dat je ze zelf oproept of verjaagt. Zoals de wind uit alle hoeken kan komen en haar alle kanten kan opblazen. Zelf ben je niet de wind!

Erken dat het ‘zelf’ een verzinsel is dat de ingewikkelde mechanismen in onze geest doorlopend fabriceren, updaten en herschrijven. Als mensen zich afvragen wie ze zijn, verwachten ze een verhaal. Het belangrijkste wat je over jezelf moet weten, is dat je dus geen verhaal bent. De zin van het leven is geen kant-en-klaar-product. Er is geen script. Je bent het zelf, degene die aan alles betekenis geeft.

Drie basale realiteiten van Boeddha kunnen ons helpen als het gaat om deze ‘betekenisgeving’:
– alles verandert constant;
– niets heeft een blijvende essentie;
– er is niets dat volledig bevredigt.
De meeste mensen lijden, omdat ze deze drie realiteiten niet begrijpen of doorgronden.

De grote vraag voor de mensheid is niet ‘wat is de zin van het leven?’, maar ‘hoe kunnen we ervoor zorgen dat we niet onnodig hoeven te lijden?’

Het is mooi als het bovenstaande kan bijdragen om samen met elkaar zinvol om te gaan met de dreiging van het Corona-virus en onnodig lijden te voorkomen. Dit vergt zonder meer psychologische flexibiliteit oftewel veerkracht, die enkel discussiëren over de voors- en tegens van een goede volksgezondheid of een gezonde economie overstijgt.

April 2020 – Joost Spithoven

‘Verwachtingen op het vlak van sociale innovatie in de lokale praktijk’

Het stof is zo goed als neergedaald na de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Er blijken weer grote verschillen als het gaat over de politieke verwachtingen vooraf, de verkiezingsuitslagen zelf en de analyses daarvan achteraf. Ook zien we grote verschillen tussen gemeenten op het vlak van betrekken van burgers bij de raadsprogramma’s en coalitievorming. Alles overziend staan voor ons twee vragen centraal als het gaat om een vernieuwende invulling van de lokale democratie:
– gaat het zoeken naar nieuwe antwoorden op maatschappelijke vraagstukken vorm krijgen?
– gaat sociale innovatie gestalte krijgen met gebruikmaking van de talenten van burgers?

Binnen de gemeenten – als de democratische basiscellen van de Nederlandse Staat – liggen de komende jaren voldoende maatschappelijke vraagstukken voor. Op wijkniveau en straatniveau blijken er soms grote verschillen qua gezondheid en leefbaarheid. Gemeentebreed zijn er verschillen voor wat betreft het maatschappelijk onbehagen en vertrouwen in de politiek. Daarnaast komen er op de gemeenten grote uitdagingen af: de uitwerking van transformaties (sociaal domein), transities (aardgasvrij & duurzame energie) en innovaties op het vlak van de digitalisering. Hoe gaat dat alles de komende jaren vorm krijgen tussen de lokale overheidsbesturen en hun burgers?

In enkele opiniestukken lees je dat burgers zelf schuld hebben aan de kloof tussen politiek en burgers, doordat ze elke keer weer anders stemmen. En dan achteraf gaan klagen dat de overheid onbetrouwbaar is omdat het beleid verandert. Of nog erger, burgers die zelf splinterpartijtjes oprichten, zodat besturen bijna onmogelijk is. En diezelfde burgers gaan dan ook nog eens procederen bij elk besluit waar zij last van hebben. …

Volgens een andere analyse heeft de individualisering in het kieshokje zijn definitieve doorbraak beleefd; bij deze geïndividualiseerde politiek is blijkbaar de vraag wat doet die (lokale) partij voor mij? Succesvolle politiek is in deze zin individuele rechten-politiek geworden.

Een verdergaande analyse schetst dat er vooral een groeiende politieke en culturele kloof aan het ontstaan is tussen de bruis- en krimpgebieden in Nederland. De politieke voorkeur lijkt steeds meer bepaald op basis van een kosmopolitische en lokale leefwereld. Daaruit volgt dan weer hoe men als burger tegen de (landelijke) politiek aankijkt. Kosmopolitische dominantie in de grote steden met daartegenover het toenemende lokale invloed in de vorm van winst voor lokale partijen in de middelgrote steden en op het platteland. Lokale verkiezingen lijken niet langer een graadmeter voor de landelijke politiek te zijn, het is eerder het omgekeerde. Daarmee keert de lokale gemeenschap in ieder geval terug als de belangrijkste politieke gemeenschap in ons Staatsbestel. Dit is ook herkenbaar in meerdere transformatieve bewegingen: vraagstukken van onderop aanpakken en oplossen.

Heel wezenlijk bij dit alles is volgens ons dat er vanuit de plaatselijke politiek vooral duidelijk nieuwe antwoorden gegeven worden als het gaat om de manier van samenleven en hoe we dat samen organiseren. Economische welvaart en – stabiliteit op landelijk niveau wordt als prettig ervaren, maar biedt geen soelaas als het gaat om antwoorden op de vragen over de wijze van samenleven en samenwerken op de lokale schaal. Innerlijke vervreemding raakt namelijk aan de onderlinge verbondenheid binnen de straat, de wijk, de kern, het dorp en de stadswijk. Er is op deze plekken behoefte aan morele gezaghebbende uitspraken over goed of fout, juist of onjuist, wat mag wel of niet! Gezaghebbende politieke uitspraken die in de lokale samenleving met elkaar doorleefd worden en de balans terugbrengen tussen de verschillende culturele identiteiten met hun eigenheden en een meeromvattende sociale cohesie als een zekerheid. Op lokaal niveau zijn er verschillende gelaagdheden en netwerken met eigen belangen, maar er is daarnaast ook behoefte aan sociale cohesie als een overkoepeling, die van een hogere orde is vanuit het algemeen belang. De glijdende schaal die qua groepsnormen nodig is om vanuit een gevoel van onderlinge verbondenheid te komen tot solidariteit en de goede acties. Burgers horen zichzelf niet als vreemden te gaan beleven.

Bij die hogere orde als algemeen belang gaat het erom vanuit een gedeeld ‘vooruitgangsgeloof’ – richting een zinvol en gelukkig bestaan – met elkaar tot de passende interacties te komen. Het gedachtengoed van de coöperatieve samenleving kan daarbij zeer behulpzaam zijn. Vanuit co-creatie op lokaal niveau de overheid, bedrijven en groepen van burgers met elkaar verbinden. Op basis van de dialoog de processen starten rond maatschappelijke vraagstukken, zonder dat er al zicht is op een oplossing. Een prachtig voorbeeld vormen de energiecoöperaties van burgers, die in het verlengde daarvan het voortouw gaan nemen bij het organiseren van de warmtekeuze-vraagstukken op wijkniveau. Zorgen dat diversiteit gaat aansluiten op diversiteit vanuit heldere, gedeelde uitgangspunten.

Het is nu aan gemeenteraden om bij de raadsprogramma’s en de coalitievorming met het college van burgemeester en wethouders de basis te leggen voor het ‘thuisgevoel’ van alle inwoners en de bijbehorende ‘solidariteit’ onder inwoners. Volgens ons vergt dat nieuwe processen en nieuwe antwoorden, die raken aan:
– invulling geven aan samenleven en samenwerken op basis van leefregels die staan voor een respectvolle omgang met elkaar;
– eigenaarschap op de verschillende niveaus als burger, straat, wijk en gemeente als het gaat om leefbaarheid en een zinvol en gelukkig bestaan;
– transparant oppakken van de complexe maatschappelijke vraagstukken met de inzet van de talenten en kracht vanuit netwerken in de lokale samenleving; gefaciliteerd door een ondersteuningsstructuur op basis van combinaties van de gemeentelijke overheid, het bedrijfsleven en coöperatieve verbanden.

Er zal in de coöperatieve samenleving ook daadwerkelijk werk gemaakt moeten gaan worden om mensen met een beperking naar werk toe te leiden, waaraan zij werksatisfactie kunnen beleven. Hier is namelijk niet hun beperking hun grootste zorg, maar de onzekerheid of ze wel werk kunnen krijgen en er invulling aan mogen geven.

In Nederland zien we dat het maatschappelijke onbehagen soms ook leidt tot haat en schelden. Het heeft te maken met twee verschijnselen. Het merendeel van de bevolking leeft niet meer vanuit een idee dat na de dood als beloning een paradijs in het vooruitzicht is. Dus als je beloond wilt worden, dan zal dat tijdens je leven moeten gebeuren. In het dagelijks bestaan blijkt dat je niet zomaar alles kunt worden of kunt verkrijgen. Het gevoel van schaarste en het psychologische verlies wordt vanuit de eigen identiteit en de identiteit van de groep waarvan men denkt deel uit te maken competitief gemaakt. Op basis daarvan gaat men zich afzetten tegen andere groepen. Alles wat niet lukt wordt de schuld van anderen. Hoe groter het gevoel van machteloosheid, hoe groter de verwijten en scheldpartijen. Het worden de komende 4 jaren weer echt interessante regeerperiodes in het lokaal bestuur, zeker als we samen die negatieve trend weten te keren en elkaar al lerend belonen.

Culemborg, 17 mei 2018 – Joost Spithoven & Jean Eigeman

‘WONINGCORPORATIES ZIJN EENHEIDSWORSTEN….’

In een eerdere blog schreef ik over ‘Vitaliseren van het sociaal kapitaal in Nederland’. Het boek van Joost Spithoven. Op een seminar trof ik de auteur. Beiden presenteerden we er onze visies. Na afloop dronken we samen een kopje koffie. Ik vroeg Joost wat woningcorporaties nou aan zijn voortreffelijke boek kunnen hebben. Dit was de aanzet voor Joost om met overgave en enthousiasme een totaal nieuw perspectief voor corporaties te, schetsen.
Een verhaal voorbij de arrogantie van de macht, voorbij de huurders als woonconsument, voorbij consumentisme en doorgeschoten marktwerking.

…Joost wat mij opvalt is dat corporaties zich feodaal gedragen. Zij hebben de macht, zij bepalen de huur, het onderhoud, wat en hoeveel er gebouwd wordt en het product vermarkten ze aan de consument die weinig te kiezen heeft. En huurdersorganisaties mogen meepraten over beleidskwesties die besturen dicteren.

Joost knikt: ‘We weten dat woningcorporaties na de tijden van fusies, schaalvergrotingen, doorgeschoten marktwerking en een rigide wettelijke regime zijn verworden tot eenheidsworsten. De ziel van de sociale volkshuisvesting lijkt verdreven uit de woningcorporaties. De binding met de huurders is getechnocratiseerd. Wat weten bestuurders, managers en medewerkers nu echt nog over de woonbeleving van huurders; over hun eigenwaarde en hun mogelijke behoeften aan zelforganisatie? Een lager inkomen van huurders of mogelijke sociale kwesties die spelen tussen bewoners in de buurt zeggen niets over de talenten en de nodige kracht waarover deze mensen wel beschikken. Het is aan woningcorporaties om in aansluiting op de diversiteit en identiteiten van huurders, zelf weer een duidelijke sociale identiteit te ontwerpen. Het begint met beleving, wat willen we met elkaar als huurders en verhuurder? Welke talenten kunnen over en weer worden ingezet om samen de maatschappelijke vraagstukken vanuit en rondom de woningen in de buurt beter tot geaccepteerde oplossingen te brengen.

Het gaat erom niet meer vóór de mensen te denken maar mèt de mensen. Wat zijn hun problemen, wat zijn hun ambities, hoe willen ze leven en wonen en samen oplossingen bedenken. Dit is een totaal nadere attitude dan denken in markten, producten en diensten.

…Je hebt het over vitaliseren, talenten, het samen oplossen van problemen. Wat kun je daar nog meer over zeggen?

‘Bij het vitaliseren van het sociaal kapitaal staat ieders talent centraal. Vanuit talentontwikkeling bij huurders en medewerkers van de woningcorporatie. Inspelen op bewegingen en trends. Het boek vraagt aandacht voor het ontsluiten van het menselijk talent, dat overal en altijd om ons heen is. Het vergt een openhartigheid, die nu toch vaak uit de weg wordt gegaan. Neem nu wèl eens de tijd en moeite om iemand vanuit de juiste ingang te benaderen en daadwerkelijk in zijn kracht te helpen zetten. Aansluiten op de behoeften en drijfveren van mensen is cruciaal. Het boek biedt hiervoor een moderne gereedschapskist met zingevings- en leerprocessen’.

…Je visie prikkelt, daagt uit, maar hoe pas je dit nu toe in de dagelijks hectische praktijk?

‘Er komen momenteel heel wat thema’s voorbij, die vragen om anders kijken en anders samenwerken als woningcorporatie. Denk aan vergrijzing, vereenzaming, woonzorgvraagstukken, segregatie, krapte op de sociale huurmarkt, leefbaarheid en sociale cohesie. Voordat hier nu weer (te) snel met beleidsuitspraken en prestatieafspraken binnen de muren van de woningcorporatie bepaald wordt hoe dat zal worden aangepakt, is het zaak eerst met de huurders in contact te komen. Op basis van verhalen en open vragen luisteren wat hen op deze punten bezighoudt, wat voor hen belemmeringen zijn, maar ook waar zij kansen zien. Op een integere en openhartige wijze. Om te komen tot participatie en sociale innovatie zijn twee vragen essentieel:
1. hoe kunnen bewoners invulling geven aan hun omgeving op basis van ‘zo willen wij leven in de openbare ruimte’;
2. hoe kan daarop aansluitend door bewoners in hun buurt ontdekt worden hoe gewerkt kan worden aan ‘zo willen wij samenleven en de samenredzaamheid met voorzieningen invullen’.
De woningcorporatie kan voor het invullen van deze vragen gegadigden mobiliseren die nu al actief zijn in diverse netwerken in de wijk. Waar nodig ze ondersteunen om hun talenten energiek in te kunnen zetten. Het is juist de energie die vrijkomt tussen mensen, die maakt dat er een nieuw of steviger sociaal weefsel tot stand komt. Precies wat we willen, als we het hebben over talenten, diversiteit en sociale cohesie.

Sociale innovatie vanuit talentontwikkeling vergt niet alleen anders kijken voor de woningcorporatie, maar ook anders samenwerken: samenwerken met bewoners en met andere organisaties in de buurt. Samenwerken met die partijen, die kunnen aansluiten op de vragen en behoeften van bewoners. Het is van belang dat gemotiveerde corporatiemedewerkers in dit speelveld ook hun menselijke talenten kunnen uitproberen en daar voldoende voor worden vrijgemaakt. Zodat de corporatiemedewerkers geïnspireerd mee kunnen werken aan het faciliteren en vitaliseren van de bewoners’.

Let op! Het gasloze tijdperk dient zich aan!

Wie had dat ooit gedacht? Ons Nederlandse gas was één van de belangrijkste welvaartsmiddelen in de vorige eeuw. Nu wordt het op twee manieren gezien als een bedreiging. In het noorden van het land is het een ‘staatsvijand’ geworden voor schade aan het vastgoed. En duurzaamheidsminnend Nederland wil deze fossiele brandstof een halt toeroepen. De eerste gemeenten gaan al aan de slag met warmtevisies, waarbij centraal staat hoe hun stad zonder aardgas op een betaalbare en betrouwbare wijze verwarmd gaat worden.

Vanzelfsprekend gaat het erom hoe bij de omslag naar gasloze gemeenten wordt omgegaan met investeringsbeslissingen. Een vraagstuk waar iedere vastgoedeigenaar mee te maken krijgt. Niet alleen bij nieuwbouw, maar zeker bij bestaande bouw.

Klimaatakkoord Parijs
De noodzaak voor deze warmtetransitie mag bekend verondersteld worden. In het Klimaatakkoord van Parijs is in 2015 afgesproken de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder twee graden Celsius. Het betekent voor EU-landen een CO2-reductie van 80 tot 95% in 2050. Minister Kamp van Economische Zaken heeft in de Energieagenda deze internationale ambities vertaald naar transitiepaden, waarmee Nederland de komende decennia de energietransitie wil vormgeven. Deze Energieagenda geeft aan dat wordt ingezet op reductie van de
warmtevraag door energiebesparing en sterke vermindering van aardgasverbruik. Dit laatste door vermindering van het aardgasverbruik en het inpassen van CO2-arm opgewekte elektriciteit en warmte. We weten dat de CO2-uitstoot voor dertig procent is toe te schrijven aan de gebouwde omgeving..

Er ligt dus een enorme uitdaging om in de gebouwde omgeving het gebruik van aardgas te beperken. Gemeenten willen in  richting 2050 CO2-arme nieuwbouw realiseren, waarbij warmte duurzaam wordt opgewekt. Binnen dat kader geldt dat nieuwbouw vanaf 2021 ‘bijna energieneutraal’ (BENG) moet zijn en de resterende warmtevraag plaatsvindt zonder aardgas. Voor de warmtevoorziening in de bestaande bouw lijkt de opgave nog forser. De kunst is om andere duurzame warmtebronnen dan aardgas op grote schaal te gaan toepassen.

Achter de voordeur
Het is duidelijk dat deze energietransitie niet slechts een technologisch ingrijpen is. Het grijpt in tot achter de voordeur van heel veel huishoudens. Bewoners gaan niet langer kunnen koken op gas of het huis nog verwarmen met een CV- of hoogrendementsketel. De sociale aspecten van deze energietransitie zijn zeker net zo belangrijk als de technische, financiële en organisatorische aspecten. Daarbij gaat het om bewustwording van de noodzaak, gedragsverandering bij dagelijkse zaken zoals verwarmen en koken en aangeven waarin ondersteuning geboden wordt. Denk bij dat laatste aan zoiets praktisch als het vervangen van de pannenset voor op gas koken door een pannenset voor elektrisch koken. Het verwerven van draagvlak onder met name huurders van woningen die overgaan naar gasloos wordt heel belangrijk.

De eerste gemeenten maken plannen om hun hele stad in 2050 aardgasvrij te maken. Een periode van 33 jaar lijkt heel ver weg, maar dit is een misvatting. Er worden plannen opgesteld om de partners en stakeholders in de warmteketen om de tafel te krijgen. Hierbij wordt onder meer gekeken naar bestaande renovatieplannen –van o.a. woningcorporaties – gericht op energiebesparende maatregelen. Waar mogelijk wordt een koppeling gemaakt met de ambitie aardgasvrij. Gemeenten willen wijkgericht aan de slag gaan, omdat het vastgoed in de wijk vaak dezelfde kenmerken vertoont. Er wordt vervolgens een prioritering van de wijken gemaakt voor de komende 10-20 jaar.

Gebiedsgericht werken dient zich om verschillende redenen steeds meer aan. Het item gasloos gaat daar binnen 10 jaar een evidente factor in worden.

22 mei 2017

Joost Spithoven

‘Doorknippen van het Nederlandse opknippen’

Blog over vitaliseren van sociaal kapitaal

Gisteren werd ik bij het lezen van de Volkskrant geboeid door twee verschillende artikelen. Een artikel over overbelaste huisartsen in de ongezondste Utrechtse wijk Overvecht en het ingezonden stuk van Micha de Winter (lector Jeugd Hogeschool Utrecht) over de stadsschool. De belangrijkste overeenkomst tussen beide onderwerpen: de onderliggende segregatie in onze Nederlandse samenleving. Een stille segregatie, waarschijnlijk in wezen onbedoeld. Maar wel met het risico dat het ‘opknippen’ van de samenleving steeds groter- en daardoor venijniger wordt.

Van de bijna 34.000 Overvechtsers heeft de helft een migratie-achtergrond, is bijna de helft laagopgeleid en heeft 40% moeite om rond te komen. Ze hebben vaker stress over werk of schulden en houden er een ongezondere levensstijl op na. Door de glijbaan van ongezondheid gaan de tegenslagen niet alleen meer tussen de oren, maar ook in het lijf zitten. Met als gevolg vroegtijdige chronische ziekten en een gemiddelde levensverwachting als inwoner van Overvecht van 59,7 jaar.

Micha de Winter geeft aan dat scholieren ook steeds meer in hun eigen bubbel leven. Kinderen die opgroeien in een well-to-do wijk als het Utrechtse tuindorp hebben een zeer geringe kans om in contact te komen met leeftijdgenoten aan de andere kant van de weg of spoorlijn waar in een wijk als Overvecht achterstand troef is. De Winter constateert dat het basisonderwijs inmiddels net zo naar kleur en opleidingsniveau gesegregeerd is als de wijken waarin de scholen staan.

Het gaat hier over verschillende sociale netwerken, waar mensen van jong tot oud deel van uitmaken. Een sociaal netwerk wordt gedefinieerd als ingebed zijn in een geheel van mensen, dat rechtstreeks min of meer duurzame banden met elkaar onderhoudt voor de vervulling van de dagelijkse levensbehoeften. Door deze onderlinge relaties draagt het sociaal netwerk dan in de regel bij aan het welzijn van mensen. De meeste mensen hebben een individueel sociaal netwerk dat bestaat uit personen die op hen lijken, qua positie, inrichting van het leven en inkomensniveau. Hun netwerk geeft ook uitdrukking aan hun identiteit. Ze vormen onderdeel van een groep mensen waar ze op lijken.

Als het aankomt op het leefbaar houden van een samenleving in zijn geheel en het vitaliseren van het sociaal kapitaal daarbinnen, dan zijn twee soorten van bindingen tussen mensen van belang. Sociaal kapitaal ontstaat namelijk door twee verschillende bindingsprocessen: ‘bonding & bridging’. ‘Bonding’ staat dan voor de verbinding tussen mensen in een sociaal netwerk, die zich in elkaar herkennen, terwijl het bij ‘bridging’ gaat om het overbruggen van afstand tussen mensen, die tot verschillende sociale netwerken behoren.

Bij sterke banden binnen het netwerk (bonding) blijft de informatie daarbinnen. Sterke banden in het eigen netwerk worden meestal als positief gezien, maar opvallend genoeg worden nu via zwakke banden bruggen geslagen naar andere netwerken (bridging). Juist in een uitgestrekt netwerk van zwakkere sociale contacten is er een veelheid en variatie aan informatie. Deze zwakke banden blijken dus waardevol voor de informatieoverdracht over andere manieren van leven en levensopvattingen te ontdekken.

Met deze kennis is het zaak de (stille) segregatie een halt toe te roepen en weg te werken. Anders dreigt de segregatie alleen maar groter te worden in de huidige Nederlands samenleving, door het ontbreken van middengroepen (terugloop brede volkspartijen, kerkgenootschappen en verenigingen). Het is belangrijk om het opknippen te gaan ‘doorknippen’ Er zijn daartoe op een andere wijze

dwarsverbindingen nodig voor contacten tussen mensen uit de verschillende sociale netwerken, om talentontwikkeling en maatschappelijke kansen te vergroten. Ontmoetingen die mensen empoweren en energie geven, in plaats van ontmoedigen en uitblussen. Het vergt in een aantal situaties het organiseren van (geluk bevorderende) interventies, die gebaseerd zijn op een combinatie van veiligheid, plezier en inspiratie.

Om kinderen te leren de brug naar anderen over te steken spreekt Micha de Winter van nieuwe arrangementen in het onderwijs, door hem aangeduid als de ‘stadsschool’. Daarmee op structurele wijze uitwisseling creëren tussen groepen van leerlingen, die elkaar niet meer vanzelf in de huidige samenleving tegenkomen. Waarbij de ouders van deze kinderen meegenomen horen te worden om de zin en het belang van deze uitwisseling in te zien.

Als het gaat om de bevordering van de gezondheid van bewoners in een wijk als Overvecht dan zullen er tussen de leefsystemen van de verschillende gezinnen en de organisatiesystemen van de verschillende lijns-voorzieningen interferentiegebieden tot stand horen te komen. Zeg maar het inrichten van sociale zones met professionals en gekwalificeerde vrijwilligers, die dichtbij de verschillende huishoudens gezondheid bevorderende en talentversterkende interacties helpen ondersteunen.

Tegengaan van segregatie in Nederland gaat de nodige zingevings- en leerprocessen vergen. Daar is geld voor nodig, zoals dat ook het geval zijn bij het doorvoeren van maatregelen op het vlak van gezondheid. Maar er is zeker ook behoefte aan politiek en maatschappelijk leiderschap om de bestaande systeemverantwoordelijkheden anders in te richten ter voorkoming van verder opknippen van de samenleving. Het wordt interessant om te zien hoe de komende weken op dat vlak de politieke discussies zich ontwikkelen richting de verkiezingen. Was het maar zo simpel dat met het beschikbaar stellen van € 2 miljard voor de verpleeghuizen Nederland weer spik en span is!

7 februari 2017 Joost Spithoven

‘Hoe vitaal zijn die Culemborgers eigenlijk?”

Nieuw wensbeeld Culemborg: vitale, betrokken en eigenzinnige stad

Cocreatie Culemborg maakt zich sterk voor het verwezenlijken van dit wensbeeld. Als rechtgeaarde autochtoon weet ik dat Culemborgers eigenzinnig zijn en in de regel wel betrokken. Maar hoe vitaal zijn wij als plaatselijk volkje?

Sociaal kapitaal en identiteit als bindende factoren

In de vitale samenleving voorzien mensen op eigen kracht in hun bestaan. Daarnaast bestrijkt het zelforganiserende vermogen van mensen tevens het met elkaar organiseren van de samenredzaamheid.  ‘Sociaal kapitaal’ vormt een belangrijke factor in de vitale samenleving. Het gaat om de (informele) netwerkrelaties. Daarbinnen dragen mensen verantwoordelijkheid voor hun eigen bestaan en ook voor de gezondheid en het welzijn van hun medemens.

Onderzoek sociaal kapitaal

Hoe intensief zijn de netwerkrelaties, waarin mensen verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen bestaan èn voor het welzijn van hun medemensen. Hoe veilig en leefbaar vinden mensen hun buurt? En wat kan de gemeente Culemborg doen voor het versterken van de collectieve kracht in de verschillende buurten? Op verzoek van Cocreatie Culemborg hebben in mei 2013 ruim 180 inwoners via de computer een uitgebreide vragenlijst ingevuld, om hier meer duidelijkheid in te verkrijgen.

Uitkomsten onderzoek
De inwoners van de gemeente Culemborg zijn bereid elkaar te helpen en ondersteunen, zonder daar direct iets voor terug te willen. Veel mensen spreken uit met hun problemen bij de buren terecht te kunnen. Daarnaast hebben veel Culemborgers meerdere keren per week contact met familie en vrienden. De inwoners van Culemborg lijken dus niet in eenzaamheid te leven.

  • Onbaatzuchtig
    De Culemborgers zijn onbaatzuchtig. Doen ze iets voor een ander, dan verwachten zij daar niet per se iets voor terug. Dat geldt ook als de Culemborger zich inzet voor de buurt.
  • Intensief contact
    Er is groot sociaal vertrouwen. De Culemborger heeft in het algemeen behoefte aan contact met de buren. De inwoners kunnen met problemen terecht bij hun buren. De verbinding met familie en vrienden is intensief.
  • Veiligheid
    Culemborgers voelen zich veilig: ze durven elkaar aan te spreken in de openbare ruimte, als dat nodig is. Ze benaderen elkaar en lossen kwesties samen op. Aan de andere kant meldt men nauwelijks of geen klachten bij de gemeente of neemt men initiatieven richting de gemeenten. Men wacht af wat de gemeente gaat doen.
  • Afstand
    De afstand tussen de politiek en de Culemborger is groot. De meeste inwoners van Culemborg melden in het onderzoek hebben weinig of geen contact met vertegenwoordigers van de gemeente, welzijnsmedewerkers, buurtagenten of buurtcomité’s.
  • Buurttevredenheid en leefbaarheid
    De grote meerderheid is zeer tevreden met de buurt waarin hij of zij woont. Men voelt zich ook verantwoordelijk voor de leefbaarheid van de buurt. Mensen geven aan zich ook wel te willen inzetten voor de buurt. Overigens is opvallend dat uit de onderzoeksresultaten blijkt dat dit feitelijk weinig gebeurt.
  • Vrijwilligerswerk
    Culemborgers  vinden het doen van vrijwilligerswerk een normale zaak. Zij voelen zich dan nuttig. Maar ze willen niet per direct meer taken doen, die nu bij de gemeente liggen. Een flink deel van de inwoners zegt te willen participeren, maar geeft aan niet te weten hoe ze dat kunnen doen.

Wat gaat er met de uitkomsten gebeuren?
Cocreatie Culemborg zal de uitkomsten van het onderzoek betrekken bij de projecten, die daarvoor in aanmerking komen. Daarnaast wil Cocreatie Culembrog samen met gemeente Culemborg bespreken hoe deze onderzoeksresultaten betrokken kunnen worden bij het versterken van het sociaal kapitaal onder de inwoners. Dit past in de lijn van de initiatieven die CoCu12 wil doorzetten rond de thema’s: vitaal, betrokken en eigenzinnig.

14 oktober 2013

Joost Spithoven – Thematrekker Anders Besturen

Het gaat niet langer over grote of kleine gemeenten, maar netwerken van mensen!

Door Joost Spithoven en Jan Willem Zeelenberg

Andere focus op organiseren samenleving

Naar aanleiding van het nieuwe Regeerakkoord is er al heel wat te doen geweest over de grote van gemeenten. De discussie gaat steeds over de schaal (bestuurskracht) en de kosten. Daarmee wordt voorbijgegaan aan waar het volgens ons over hoort te gaat. De zelforganisatie van de samenleving en de toegevoegde waarde van gemeenten.

Het veld overziend

Naar onze mening vormen de menselijke maat en de zelforganisatie van mensen de ‘harde’ uitgangspunten voor het gemeentelijk functioneren. De vergelijking met zwermen vogels gaat dan goed op. Zwermen vogels vormen namelijk ook sociale netwerken, met een enorm vermogen tot zelforganisatie. Eigenbelang en groepsbelang komen daarbij samen. Dicht bij elkaar vliegen voor een optimale beschutting en ver genoeg van elkaar vliegen om niet met de vleugels in elkaar te komen. Op deze wijze bestaan er binnen straten en buurten al zelforganiserende zwermen van mensen. Oftewel netwerken.

Beschaving en groei

Het is belangrijk dat een samenleving groei mogelijk maakt. Zeker als dit gepaard gaat met toegang creëren en mensen de gelegenheid bieden doordachte keuzes te maken. Dat is heel iets anders dan een overall-normerende overheid, die met een wortel of een stok min of meer oplegt wat goed. De overheid is geen instituut voor innovatie. Dus horen gemeenten neutraal te acteren en zich weg te houden bij morele onderwerpen. Het gelijkheidsdenken en maakbaarheidsdenken zijn met elkaar in de knoop geraakt. De ‘Samenleving versie 3.0’ vormt de aanleiding om deze knoop te ontwarren. De omslag van een ‘ordening voor mensen’ naar een ‘ordening door mensen’.

Samenleving 3.0

Gebaseerd op het denken van ‘Society 3.0’ komt de vraag op hoe gemeentelijke overheden zich gaan (her)organiseren. In het 1.0 tijdperk dragen instituten hun boodschap via traditionele media uit naar hun doelgroep; de macht ligt bij de instituten. In het 2.0-tijdperk gaan individuen hun eigen boodschap delen met hun omgeving; de invloed van het individu neemt toe. In het 3.0-tijdperk verdwijnt de hiërarchische verhouding tussen instituten en individuen; er wordt nog alleen maar samengewerkt in netwerken. Sociale media zorgen voor slimme netwerken.

Signaleren en faciliteren netwerken

Deze ’nieuwe ordening’ Society 3.0’ is in de praktijk verder dan gemeentelijke organisaties vaak overzien. Vandaar dat wij gemeenten van harte oproepen om die andere bril op te zetten, gericht op de menselijke maat en zelforganisatie in netwerken. Met als nieuwe taken:

  • Kennis opdoen over de ‘zwermen vogels’: de verschillende netwerken van inwoners;
  • Wegnemen van onnodige obstakels om het ‘vliegen en landen’ mogelijk te maken;
  • Netwerken waar nodig ondersteunen met kennis van professionals;
  • Signalen blijven opvangen over de vitaliteit van de netwerken.

Daar ligt de echte uitdaging voor gemeenten.

21 november 2012

Joost Spithoven en Jan Willem Zeelenberg zijn beiden als externe organisatieadviseurs werkzaam bij overheden. Daarnaast bekleden zij nevenfuncties in het maatschappelijk middenveld.

Opinie Joost Spithoven: gedragsbeïnvloeding in Nederland: de wortel, de stok en de donut!

Joost SpithovenWe hebben er allemaal wel eens over gehoord en ondervonden. De juiste resultaten willen we in het gezin, op het werk en in de samenleving bereiken op basis van de juiste gedragingen van ons als mensen. Hoe valt gedrag te beïnvloeden om tot deze juiste gedragingen te komen: door mensen te belonen (met de wortel) of te straffen (met de stok. In dit slotartikel van dit jaar kijk ik graag terug op mijn recente persoonlijke ervaringen met de wortel en de stok in ons Nederland. Zijn we nu wel op een juiste manier met onze systemen aan het belonen en straffen? Ook past het om een vooruitblik te werpen op het nieuwe jaar: daarbij vraag ik uw aandacht voor de donut!

Hoe smaakvol is de wortel?

Aangezien ik echt in het dagelijks bestaan een bijdrage wil leveren aan een schonere wereld ben ik elektrisch gaan rijden. Met een eigen voorziening aan huis om de auto elektrisch op te laden. Vervolgens ben ik ertoe overgegaan om een warmtepomp te installeren, grotendeels qua stroom voorzien van zonnepanelen, die ik op het dak heb laten plaatsen. Voor de warmtepomp is subsidie beschikbaar; voor de zonnepanelen kun je btw-aftrek krijgen. Op papier klinkt het makkelijk, in de praktijk valt het niet mee. Voor de aftrek van de btw moest ik als ‘particulier’ samen met mijn vrouw een apart btw-nummer aanvragen. Hoewel wij al jaren in gemeenschap van goederen getrouwd zijn, staan mijn vrouw en ik nu samen als een ‘persoonlijke samenwerkingsvorm’ met een btw-nummer geboekt mij de belastinginspecteur. Voor mijn schattige ‘warmtepompje Elga’ viel het incasseren van de subsidie ook niet echt mee. Met mijn blijkbaar gebrekkige kennis van zaken heb ik via het digitale systeem van de Rijksdienst voor Ondernemers heel wat informatie moeten verstrekken. Informatie waarvan je vooraf niet weet dat je die voorhanden moet hebben of zo precies moet die code moet invullen. Kortom; heel wat keren uit het digitale systeem gegooid, gevoelens van onmacht en achteraf toch net weer wat minder subsidie gekregen dan vooraf werd aangeboden bij de aankoop. Het voelt dus niet als beloond worden voor goed gedrag! Deze wortels smaken niet naar meer. Overigens ben ik ook geen liefhebber van worteltaart.

Is de stok nog in verhouding!

Zo moeilijk het dus (toch) blijkt om subsidie te innen, zo makkelijk vergaar ik boetes. Meestal voor te hard rijden op de snelweg; zo’n 5 km boven de toegestane snelheid. Ook ik probeer elke keer toch weer wat tijd in te halen, die ik verspeeld heb in weer een file. Ik weet dat het bij deze boetes op de snelweg al lang niet meer gaat om uw of mijn veiligheid. De meters worden zo afgesteld dat geld van automobilisten in de ‘schatkist’ van onze Nederlandse staat terechtkomt. Maar laatst had ik ook weer eens een parkeerboete. Alhoewel ik mijn parkeerkaart met Yellowbrick per telefoon had aangezet, kreeg ik in het mooie Dordrecht een fraaie boete van € 62,50. Inmiddels heb ik bezwaar gemaakt; als bewijs de afschrijving van € 5,00 via Yellow Brick meegezonden. De behandeling van het bezwaarschrift is uitgesteld. Met als mededeling dat ik zeker nog een naheffing zal krijgen, maar die hoef ik hangende het bezwaarschrift nog niet te betalen. Weet u wat ik zo fijn zou hebben gevonden? Gewoon een kort briefje met ‘sorry, foutje; bedankt voor uw berichtje’ Helaas, dat gaat niet gebeuren. Ik zal waarschijnlijk nog een paar keer deze stok moeten gaan voelen.

Biedt de donut de uitweg?

Waarom leef ik eigenlijk een land als Nederland, waar enerzijds het verstrekken van subsidies zo moeilijk verloopt en anderzijds er zo makkelijk boetes worden uitgereikt?

Zoals de Kerstdagen zich vooral richten op vredig samenzijn en gevoel voor het nieuwe leven, zo bieden de dagen tussen de Kerst en het Nieuw Jaar de mogelijkheid op bezinning. Als ik een leestip mag geven om deze bezinning vanuit ‘duurzaamheidsdenken’ te voeden: lees het boek ‘Hoe de donuteconomie de aarde gaat redden’ van Kate Raworth. Zij is de rijzende ster onder de economen. In haar visie op de economie neemt ze een donut als vertrekpunt. De buitenste cirkel staat voor de grenzen van het klimaat, oftewel de ecologische bovengrens. Gaan we over deze grens heen (met name door CO2-uitstoot, watervervuiling en ontbossing) dan helpen we met elkaar de aarde om zeep. De binnenste cirkel van de donut staat voor de sociale ondergrens: een minimum aan productie die we nodig hebben om ervoor te zorgen dat alle mensen op de wereld in hun basisbehoeften worden voorzien. De truc is volgens Kate Raworth dat we met elkaar binnen deze twee grenzen van de donut blijven. Dus enerzijds niet zoveel blijven produceren dat de aarde onleefbaar wordt, maar tegelijkertijd ervoor zorgen dat mensen geen honger of armoede hoeven te lijden. De donut van Kate Raworth met de bijbehorende onderwerpen wordt weergegeven in onderstaand plaatje.

De donut in de nieuwe praktijk

Aangezien ik wel voorstander ben van een Nederland dat gaat aansluiten op dit gedachtegoed, wil ik proberen dit eens te vertalen naar de praktijk. Om een aanzet te leveren voor een andere systematiek, waarmee we afkomen van wortels en stokken.

Ik pleit voor een nieuw verkeerskundig systeem met digitale voorzieningen, waarop met half- of heel zelfsturende elektrische auto’s op wordt aangesloten. In plaats van het gebruik van ‘Flitsmeister’ (gericht op het tegengaan van verkeersboetes) rijdt de auto op basis van ‘Ritmeister’; de route wordt uitgezet die het best past qua doorstroming en milieubelasting. Door deze veranderende sturing kan filerijden voorkomen worden; nu zijn de kortste routes vaak de routes waar we allemaal het langst in de file staan. Bij dit nieuwe verkeerskundig systeem worden vanzelf de flitspalen en trajectsystemen die zijn gericht op het beteugelen van de snelheid omgebouwd tot sensorsystemen gericht op een vlotte verkeersafwikkeling via de juiste routes vanuit duurzaamheid. Digitaal rekeningrijden kan de prullenbak in; voortaan spreken we over digitaal duurzaam snelheidsrijden.

Het bevorderen en enthousiasmeren van nieuw gedrag dat bijdraagt aan de onderwerpen van de binnenkant en/of buitenkant van de donut vindt plaats vanuit gebiedsgerichte projecten. Deze gebiedsgerichte zijn gericht op doen ren realiseren. Om doen en realiseren te vanuit deze projecten bevorderen worden twee middelen ingezet om mensen te laten aansluiten: gemeenschappelijke kennisdeling in het project en de verdeling van gemeenschappelijke projectsubsidies. Vanuit de betrokken overheden worden professionals met kennis in het project geplaatst en financiële middelen beschikbaar gesteld. Alle deelnemers in het project kunnen op basis van hun inbreng gebruikmaken van deze kennis en extra financiële middelen. Verdeling vindt binnen het project door de deelnemers zelf plaats. Van meet af aan, zodat er echt tot doen wordt overgegaan. Niets qua moeilijke voorwaarden vooraf en strenge controles achteraf! Het leidt enkel tot stroperigheid. Achteraf wordt gebiedsgericht geëvalueerd hoe het gebiedsgericht project qua kennisdeling, voortgang en realisatie is verlopen. Om van al dit alles samen wijzer te worden en te leren.

Waarschijnlijk is dat het; ik wil graag in een Nederland leven waar we samen willen leren om wijzer te worden!

Joost Spithoven